berend_kamphuis_02

Terugblik webinar met Berend Kamphuis

Publicatie:
20 mei 2020

Vorige week sprak Berend Kamphuis vanuit zijn rol als voorzitter bij Verus, vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs, tijdens onze webinar over zijn visie op een ideaal ontwikkeltraject voor intern toezicht op basis van inspireren, motiveren en stimuleren. Veel deelnemers vonden de presentatie van Berend inspirerend en konden zich vinden zijn opvattingen: "Inspirerend. Terug naar de bedoeling van het onderwijs en meer ruimte voor de stem van de lerende."

Lees Berends bijdrage aan onze webinar 'Kwaliteit van toezicht. Toezien op kwaliteit.' hier terug.


"Allereerst dank voor uw uitnodiging. Ik ben blij van gedachten te kunnen wisselen over toezichthouden in deze tijden. Daarbij is het goed/mooi/belangrijk om te weten dat toezicht houden niet iets is van de laatste eeuw. Eén van de oudste figuren van toezicht is te vinden in de kerkelijke traditie, en wel in de persoon van de bisschop. Episkope: toezicht houden, hoeden, omzien naar.
Wat doet een bisschop? Als het goed is, ziet hij toe, én hoedt hij, bewaakt en bewaart hij de heelheid, de integriteit van wat hem is toevertrouwd. Mijn verhaal bestaat uit drie blokjes. Ze vormen samen de pointe van mijn verhaal: zie toe om de heelheid, de integriteit van het onderwijs te bewaren.

  1. Algemeen beschaafd onderwijs-Nederlands

Sta mij toe te beginnen met een voorbeeld over de zogenaamde deugdelijkheidseisen, de formele wettelijke basis voor het toezicht door de Inspectie van het onderwijs.
Weet: het PO kent ongeveer tachtig deugdelijkheidseisen, het VO honderddertig. Een paar weken geleden was er een algemeen overleg van de commissie onderwijs van de Tweede Kamer over deze deugdelijkheidseisen. De inzet van het overleg was: er zijn te veel, we moeten toe naar minder deugdelijkheidseisen. De uitkomst van het overleg: meer deugdelijkheidseisen dan aan het begin van het overleg. De nieuwe deugdelijkheidseis: twee uur gymnastiek, in het VO.

Na 1917, het jaar van de pacificatie, werd bewust een klein aantal deugdelijkheidseisen gesteld. Kwaliteit was de verantwoordelijkheid van de school. Immers: kwaliteit is onderdeel van de vraag naar goed onderwijs (onderwijs dat kwalitatief aan de maat is, is daarmee nog niet goed onderwijs), en goed onderwijs is onderdeel van de vraag wat verstaan wordt onder het goede leven. Kwaliteit is om die reden van oudsher een zogenaamd essentially contested concept. Deugdelijkheidseisen waren het domein van de overheid. Daarom waren er maar weinig. Bijvoorbeeld: bekwaamheid en zedelijkheid van docenten. Honderd jaar later praten we over twee uur gymnastiek en tientallen soortgelijke eisen.

Dat onderscheid, tussen kwaliteit als verantwoordelijkheid van de school en de deugdelijkheid als verantwoordelijkheid van de overheid, is vervaagd. Mede daardoor zien we een zichzelf versterkend proces van steeds meer eisen. (Voorbeelden van de laatste dagen: De ARK pleit ervoor dat onderwijsinstellingen worden gezien als ‘organisatie van openbaar belang’. Meer eisen, hogere eisen, verregaande uniformering, vanuit de EU. Het Ministerie van Financiën zegt via de zogenaamde Brede Maatschappelijke Heroverweging: de basis is niet op orde, steviger sturen op hoofdlijnen, Inspectie nadrukkelijker aanwezig; schoolorganisaties moeten duidelijke doelen, taken en rollen hebben.)

We weten: er kan van alles beter in het onderwijs en toezicht. Door dit voorbeeld zouden we kunnen denken: dat is blijkbaar een zaak van meer of minder. Er is te weinig of te veel overheidsingrijpen, er is te veel of te weinig professionele ruimte, er zijn te veel of te weinig deugdelijkheidseisen.

Ik denk dat het anders zit. Het gaat om de manier van kijken en de taal die we in het verlengde daarvan allemaal zijn gaan gebruiken. De manier van kijken: alles wordt vertaald in doelen en middelen. Wat niet in het schema van doelen en middelen past, kan eigenlijk niet bestaan, heeft geen publieke stem meer. Ik kan het ook anders zeggen: onze houding wordt bepaald door wat we kunnen afspreken en handhaven. De blik is in essentie functioneel.

Een voorbeeld: de taal die geschikt is voor existentiële en dus levensbeschouwelijke en pedagogische vragen -vragen van persoonsvorming- hebben we, zonder dat het besluit ooit als zodanig genomen is, afgewaardeerd/gedegradeerd tot dialect. Je mag het wel spreken, maar in je eigen hoekje. In het onderwijs heet dat: de 30% eigen ruimte. Het valt niet onder de zogenaamde ‘basis’ die op orde moet zijn. We zijn dus allemaal de taal van doelen en middelen gaan spreken, we zijn allemaal meer functioneel gaan kijken, we zijn allemaal algemeen beschaafd onderwijs-Nederlands gaan spreken. De taal waarin ergens in de diepte het verlangen resoneert naar rimpelloos, smetteloos en risicoloos bestuur en waarin een zekere smetvrees doorklinkt voor het echte leven in/van de school.

Functionele taal, denken in doelen en middelen, algemeen beschaafd onderwijs-Nederlands, het is eigenlijk de enige taal die klinkt in het publieke domein als het gaat om onderwijs. Niemand zal het belang van twee uur gymnastiek op school betwisten. Maar doet die manier van kijken, doet die taal wel recht aan wat onderwijs is? Ik kom bij mijn tweede blokje: wat is eigenlijk het eigene van onderwijs?

  1. Het eigene van onderwijs

De dominante bestuurlijke trend is dus: we proberen de wereld -het onderwijs- overzichtelijk, beheersbaar te maken. De ontwikkeling van het verenigingsmodel naar het stichtingsmodel met een geprofessionaliseerd bestuur en een RvT is daar zelf een voorbeeld van. Uniformering en centralisatie zijn dominante trends. Scholen zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. Betrokkenen -docenten, ouders, leerlingen- zijn op grotere afstand komen te staan, zoals de NSOB heeft laten zien in een onderzoek dat op verzoek van Verus is gedaan. ‘… concreet gedeeld eigenaarschap, ook in alledaagse betrokkenheid, (wordt) vervangen door een abstract idee: de statutaire missie of de kernwaarden van de school.’, zo stelt de NSOB.

Dat is geen verwijt voor alle duidelijkheid. Het is een bestuurlijke ontwikkeling van drie, vier decennia, waarin enerzijds, onder invloed van ontzuiling, meer sociale mobiliteit, individualisering en internationalisering de complexiteit van het onderwijs veel groter werd, en waarin anderzijds de eisen die aan onderwijs gesteld worden steeds hoger werden.

In dat licht bezien is het eigenlijk heel bijzonder dat het antwoord op grotere complexiteit en hogere eisen, een beperktere focus werd: vooral denken in functionele termen, de wereld vooral bezien door de bril van wat we kunnen afspreken en handhaven, denken in termen van doelen en middelen. Scherp geformuleerd: bied de toegenomen complexiteit het hoofd door jouw beeld van de werkelijkheid drastisch te vereenvoudigen. (De NSOB: ‘Effectiviteit en slagkracht lijken belangrijker dan eigenaarschap en democratisering.’)

Ik denk dat we ons voor een keuze moeten stellen: gaan we door op dit pad, of verstaan we de tekenen van de tijd: het is misschien juist tijd om op te houden met steeds scherper en strenger focussen, en moeten we juist breder en dieper willen kijken, om recht te doen aan de integriteit/heelheid van onderwijs en dus om de verschillende belanghebbenden weer serieus nemen als primaire dragers van het onderwijs.

Eén van de tekenen van de tijd is dat het besef terugkeert van het geheel eigene van onderwijs. Ik zie dat bijvoorbeeld in de herwaardering voor de pedagogische functie en opdracht van onderwijs, persoonsvorming, een concern, of een bekommernis (om met Biesta te spreken) die zich nu juist niet laat vangen in de taal van doelen en middelen, maar die daarom niet minder belangrijk is, in tegendeel. Juist de zaken die niet te objectiveren zijn, die niet passen in de mal van doelen en middelen, daar zou het wel eens om kunnen gaan.

Het eigene van onderwijs: het is publiek, maar ook privaat -verbonden met zorg, aandacht, met de diepste opvattingen van mensen/ouders. Het is functioneel -kijk naar de functie van kwalificatie en socialisatie-, maar ook dysfunctioneel. De school moet nu juist niet aan alle tijdgebonden wensen tegemoet komen, wil ze in een zekere beslotenheid kunnen bijdragen aan volwassenwording. Ze moet voorbereiden op de toekomst, maar -veel belangrijker- ze moet leerlingen uitnodigen om zélf vorm te geven aan de toekomst, nu al.
Onderwijs is een relationeel vertrouwensgoed: onderwijs komt ter plekke tot stand, niet als een vooraf gedefinieerd en gecontracteerd product, maar als een goed dat tot stand komt in, door en tussen mensen, op het moment van voortbrengen en tot zich nemen zelf.
In de West-Europese traditie houdt de school op school te zijn, als ze volledig in dienst komt te staan van maatschappelijke doelen en trouwens ook van individuele doelen. Onderwijs in onze traditie leeft van het geloof dat mensen nieuwe dingen kunnen gaan doen. Wie alles onder controle heeft, is een gevangene. Wie weet dat hij niet alles onder controle heeft en wie weet dat hij leeft van wat hij ontvangt, die is vrij en kan werkelijk iets nieuws beginnen. Ik kom bij mijn afsluitende blokje.

  1. Toezicht: waarderen met het oog op de heelheid, integriteit van onderwijs

Wat is al met al mijn boodschap, mijn oproep, of liever mijn hartenkreet? Ik maak een korte aanloop. Ik ben ervan overtuigd dat het verder optuigen van toezicht volgens de zogenaamde moderniseringslogica -meer deskundigheid, meer en preciezere doelen, nog meer onafhankelijke instanties- ons niet verder brengt. Het gaat uiteindelijk om de integriteit, de heelheid van het onderwijs.

Tot onze leden behoren veel kleinere scholen, bijvoorbeeld op het noordelijke platteland, die het uitstekend doen. Denkt u dat zij overtuigd raken door nieuwe en hogere eisen van de EU, of een verre autoriteit die de deskundigheid van hun RvT moet gaan beoordelen? En denkt u dat in het relatief dunbevolkte noorden, waar raden van toezicht toch al moeten putten uit een relatief beperkt reservoir, ervan opfleurt als invulling niet meer mogelijk blijkt? Wie ziet het dan verkeerd? Die mensen, die dag in dag uit bouwen aan een goede school, of de verre instantie die werkt volgens een logica van steeds hogere eisen? Ik ben er diep van overtuigd dat sluimerende gevoelens van onbehagen in het onderwijs, en breder het verschijnsel van populisme, te maken heeft met sluipende processen van vervreemding, onteigening, het niet meer delen van de dagelijkse taal en werkelijkheid. ‘Bukken, beleid.’ Daar ligt een majeure bestuurlijke opgave. (Het zou wel eens kunnen zijn dat de enorme focus op prestaties, op excellentie, de voortdurende boodschap dat het nog niet goed genoeg is en de onophoudelijke stroom van maatregelen en initiatieven zelf eraan bijdragen dat het vanzelfsprekend aanwezige commitment, het al beschikbare commitment als primaire bron van goed onderwijs worden overgeslagen.) Op één of andere manier vertrouwen we de echte, gewone werkelijkheid van mensen van vlees en bloed niet meer.

De laatste jaren horen we pleidooien voor waardengericht toezicht, ook in de kring van de VTOI-NVTK. Ik ben daar erg blij mee. Het is een belangrijke aanwijzing van het groeiende besef dat de taal van het algemeen beschaafd onderwijs-Nederlands niet volstaat. Dat is het eerste waarop mijn hartenkreet betrekking heeft. Waardengericht toezicht zal namelijk pas echt gevolgen hebben en van betekenis zijn, wanneer de taal die zij representeert niet langer als dialect wordt beschouwd, maar een volwaardige plaats krijgt in het publieke domein. Dat beschouwt Verus als een belangrijke opgave; om de heelheid, de integriteit van het onderwijs. Ik hoop dat de VTOI-NVTK dat ook zo ziet. Het besef klinkt erin door dat onderwijs geen causaal proces is, dat zich als het ware buiten mensen om voltrekt, maar een proces van interactie in, door en tussen mensen. De taal van waarden en de taal van de pedagogische opgave: dat is het echte fundament dat op orde moet zijn. Ik denk dat u als toezichthouders de taak heeft om die heelheid van onderwijs te bewaken en te stimuleren.

Dat brengt me op het tweede deel van mijn hartenkreet. Ouders, MR’s en docenten zijn bij het ontstaan van het CvB-RvT model in eerste instantie op afstand gezet. Ze kloppen echter aan de deur, ze láten zich niet op afstand zetten, terecht niet. We zien dat ze door middel van wetgeving weer een plaats krijgen in de gemeenschap van de instelling. Eigenlijk corrigeren we stap voor stap een proces van onteigening. Mijn punt: toezicht houden in deze tijd, episkope, het hoeden over de heelheid en de integriteit van het onderwijs, betekent zoeken naar manieren om deze mensen, deze belanghebbenden hun volwaardige plaats te geven, als deel van het geheel.

Mijn hartenkreet: stap uit het dominante en zichzelf versterkende functionele discours en ga voor anker bij de eeuwenoude gedachte van episkope: een strenge rentmeester is nodig, maar ook -en nu zeker zozeer- een toezichthouder die bekommernis toont om de heelheid/de integriteit van het onderwijs en de onderwijsgemeenschap. We hebben toezichthouders nodig die de zorg voor het pedagogisch en maatschappelijk belang als haar zorg ziet, bij uitstek en bij voorrang."

Terug naar de lijst

Onze site maakt gebruik van cookies voor een optimale gebruikservaring. Bekijk onze privacyverklaring.

Sluit melding